Splitsen: 10 + 3
Splits 13 in 10 en 3: reken de tafel van 10 en de tafel van 3 uit en tel de uitkomsten op.
13 × 7 = 70 + 21 = 91
Jouw voortgang
Scores worden alleen op dit apparaat bewaard — geen account nodig.
Zie 13 als 10 + 3 en de tafel van 13 wordt twee tafels die je al kent: de tafel van 10 en de tafel van 3. Leer hem hier met zeven oefeningen, trucs, uitgewerkte voorbeelden en printbare werkbladen.
Splits 13 in 10 en 3: reken de tafel van 10 en de tafel van 3 uit en tel de uitkomsten op. Splits 13 in 10 en 3. 10 × 7 = 70 en 3 × 7 = 21, dus 13 × 7 = 70 + 21 = 91.
Werk de oefeningen van links naar rechts af. Elke oefening vraagt iets meer van je en als je klaar bent, verschijnt er een vinkje. Je voortgang wordt op dit apparaat bewaard.
Kies de truc die bij jou past. Elke truc is een andere weg naar dezelfde uitkomst.
Splits 13 in 10 en 3: reken de tafel van 10 en de tafel van 3 uit en tel de uitkomsten op.
13 × 7 = 70 + 21 = 91
Ken je de tafel van 12? Tel er nog één keer bij op: 13 × 7 is 12 × 7 plus 7.
84 + 7 = 91
Kijk naar het laatste cijfer van elke uitkomst van 13 × 1 tot 13 × 10. Hetzelfde patroon herhaalt zich bij de volgende tien uitkomsten, dus je hoeft het maar één keer te leren.
3, 6, 9, 2, 5, 8, 1, 4, 7, 0
13 × 3 is hetzelfde als 3 × 13. Ken je de tafel van 3, dan ken je deze som al, en dat geldt voor elke tafel die je al hebt geleerd.
3 × 13 = 13 × 3 = 39
Elke uitkomst is 13 meer dan de vorige, dus je kunt altijd verder tellen vanaf een som die je kent.
13, 26, 39, 52, 65
13 × 13 = 169 is een kwadraat: 13 rijen van 13 vormen een perfect vierkant. Kwadraatsommen zijn goede ankers om vanuit te rekenen.
13 × 13 = 169
Hoe elke uitkomst wordt gevonden, stap voor stap.
Splits 13 in 10 en 3. 10 × 6 = 60 en 3 × 6 = 18, dus 13 × 6 = 60 + 18 = 78.
De volgorde maakt niet uit: 7 × 13 is hetzelfde als 13 × 7. Splits 13 in 10 en 3. 10 × 7 = 70 en 3 × 7 = 21, dus 13 × 7 = 70 + 21 = 91.
Splits 13 in 10 en 3. 10 × 12 = 120 en 3 × 12 = 36, dus 13 × 12 = 120 + 36 = 156.
Splits 13 in 10 en 3. 10 × 17 = 170 en 3 × 17 = 51, dus 13 × 17 = 170 + 51 = 221.
Vraag hoe vaak 13 in 104 past. Je weet dat 13 × 8 = 104, dus het antwoord is 8.
Vraag hoe vaak 13 in 182 past. Deel om het te vinden: 182 ÷ 13 = 14.
Zien dat een verhaal 13 × iets nodig heeft is een vaardigheid op zich. Reken elke som eerst zelf uit en open dan pas het antwoord.
In de schoolhal staan 4 rijen stoelen met 13 stoelen in elke rij. Hoeveel stoelen zijn dat?
Mila leest elke dag 13 bladzijden, 7 dagen lang. Hoeveel bladzijden leest ze?
In elk busje kunnen 13 kinderen. Hoeveel kinderen kunnen er mee in 9 busjes?
In een tuin staan 12 rijen tulpen met 13 tulpen in elke rij. Hoeveel tulpen zijn dat?
Elke toren is 13 blokken hoog. Sem bouwt 15 torens. Hoeveel blokken gebruikt hij?
Een lint van 78 cm lang wordt geknipt in stukken van 13 cm. Hoeveel stukken zijn dat?
Zeg elk antwoord hardop voordat je het opent. Heb je ze alle tien goed, probeer dan de test van 60 seconden hierboven.
Heb je grotere sommen nodig? Bekijk de volledige lijst van de tafel van 13 tot een van deze getallen.
Maak een blad met een of meer volledige tafels om uit te leren, of met gaten om in te vullen. Print het, sla het op als PDF via het printvenster of download een plaatje.
Maak een echte toets: meng soorten vragen, voeg redactiesommen en een tijdslimiet toe en print een apart antwoordenblad om na te kijken. Elke keer dat je op Nieuwe toets drukt, krijg je een nieuwe toets.
Elke som die je hier leert, komt ook in een andere tafel voor — 13 × 7 staat ook in de tafel van 7.