Afronden naar 30
28 is 2 minder dan 30, dus reken de uitkomst met 30 uit en haal er 2 keer het getal af.
28 × 7 = 210 − 14 = 196
Jouw voortgang
Scores worden alleen op dit apparaat bewaard — geen account nodig.
28 is maar 2 minder dan 30, dus elke uitkomst van de tafel van 28 is de uitkomst van de tafel van 30 min een beetje. Leer hem hier met zeven oefeningen, trucs, uitgewerkte voorbeelden en printbare werkbladen.
28 is 2 minder dan 30, dus reken de uitkomst met 30 uit en haal er 2 keer het getal af. Rond 28 af naar 30: 30 × 7 = 210. Haal er dan 2 × 7 = 14 af, dus 28 × 7 = 210 − 14 = 196.
Werk de oefeningen van links naar rechts af. Elke oefening vraagt iets meer van je en als je klaar bent, verschijnt er een vinkje. Je voortgang wordt op dit apparaat bewaard.
Kies de truc die bij jou past. Elke truc is een andere weg naar dezelfde uitkomst.
28 is 2 minder dan 30, dus reken de uitkomst met 30 uit en haal er 2 keer het getal af.
28 × 7 = 210 − 14 = 196
28 is het dubbele van 14, dus reken de uitkomst van de tafel van 14 uit en verdubbel die.
14 × 7 = 98, dus 28 × 7 = 196
Ken je de tafel van 27? Tel er nog één keer bij op: 28 × 7 is 27 × 7 plus 7.
189 + 7 = 196
Elke uitkomst in de tafel van 28 is een even getal, dus ze eindigt op 0, 2, 4, 6 of 8. Een oneven uitkomst is altijd fout.
28, 56, 84, 112, 140
Kijk naar het laatste cijfer van elke uitkomst van 28 × 1 tot 28 × 10. Hetzelfde patroon herhaalt zich bij de volgende tien uitkomsten, dus je hoeft het maar één keer te leren.
8, 6, 4, 2, 0, 8, 6, 4, 2, 0
28 × 3 is hetzelfde als 3 × 28. Ken je de tafel van 3, dan ken je deze som al, en dat geldt voor elke tafel die je al hebt geleerd.
3 × 28 = 28 × 3 = 84
Hoe elke uitkomst wordt gevonden, stap voor stap.
Rond 28 af naar 30: 30 × 6 = 180. Haal er dan 2 × 6 = 12 af, dus 28 × 6 = 180 − 12 = 168.
De volgorde maakt niet uit: 7 × 28 is hetzelfde als 28 × 7. Rond 28 af naar 30: 30 × 7 = 210. Haal er dan 2 × 7 = 14 af, dus 28 × 7 = 210 − 14 = 196.
Rond 28 af naar 30: 30 × 12 = 360. Haal er dan 2 × 12 = 24 af, dus 28 × 12 = 360 − 24 = 336.
Rond 28 af naar 30: 30 × 17 = 510. Haal er dan 2 × 17 = 34 af, dus 28 × 17 = 510 − 34 = 476.
Vraag hoe vaak 28 in 224 past. Je weet dat 28 × 8 = 224, dus het antwoord is 8.
Vraag hoe vaak 28 in 392 past. Deel om het te vinden: 392 ÷ 28 = 14.
Zien dat een verhaal 28 × iets nodig heeft is een vaardigheid op zich. Reken elke som eerst zelf uit en open dan pas het antwoord.
Een boerderij doet 112 eieren in dozen van 28. Hoeveel dozen vult de boer?
Daan spaart elke week 28 munten. Hoeveel munten heeft hij na 7 weken?
252 kinderen willen spelen. Elk team heeft 28 spelers nodig. Hoeveel teams kunnen ze maken?
In een bakje passen 28 cupcakes. Hoeveel cupcakes passen er in 12 bakjes?
In een pakje zitten 28 potloden. De juf koopt 15 pakjes. Hoeveel potloden zijn dat?
168 stickers worden eerlijk verdeeld over 28 kinderen. Hoeveel stickers krijgt elk kind?
Zeg elk antwoord hardop voordat je het opent. Heb je ze alle tien goed, probeer dan de test van 60 seconden hierboven.
Heb je grotere sommen nodig? Bekijk de volledige lijst van de tafel van 28 tot een van deze getallen.
Maak een blad met een of meer volledige tafels om uit te leren, of met gaten om in te vullen. Print het, sla het op als PDF via het printvenster of download een plaatje.
Maak een echte toets: meng soorten vragen, voeg redactiesommen en een tijdslimiet toe en print een apart antwoordenblad om na te kijken. Elke keer dat je op Nieuwe toets drukt, krijg je een nieuwe toets.
Elke som die je hier leert, komt ook in een andere tafel voor — 28 × 7 staat ook in de tafel van 7.