Splitsen: 20 + 7
Splits 27 in 20 en 7: reken de tafel van 20 en de tafel van 7 uit en tel de uitkomsten op.
27 × 7 = 140 + 49 = 189
Jouw voortgang
Scores worden alleen op dit apparaat bewaard — geen account nodig.
Zie 27 als 20 + 7 en de tafel van 27 wordt twee tafels die je al kent: de tafel van 20 en de tafel van 7. Leer hem hier met zeven oefeningen, trucs, uitgewerkte voorbeelden en printbare werkbladen.
Splits 27 in 20 en 7: reken de tafel van 20 en de tafel van 7 uit en tel de uitkomsten op. Splits 27 in 20 en 7. 20 × 7 = 140 en 7 × 7 = 49, dus 27 × 7 = 140 + 49 = 189.
Werk de oefeningen van links naar rechts af. Elke oefening vraagt iets meer van je en als je klaar bent, verschijnt er een vinkje. Je voortgang wordt op dit apparaat bewaard.
Kies de truc die bij jou past. Elke truc is een andere weg naar dezelfde uitkomst.
Splits 27 in 20 en 7: reken de tafel van 20 en de tafel van 7 uit en tel de uitkomsten op.
27 × 7 = 140 + 49 = 189
Ken je de tafel van 26? Tel er nog één keer bij op: 27 × 7 is 26 × 7 plus 7.
182 + 7 = 189
Kijk naar het laatste cijfer van elke uitkomst van 27 × 1 tot 27 × 10. Hetzelfde patroon herhaalt zich bij de volgende tien uitkomsten, dus je hoeft het maar één keer te leren.
7, 4, 1, 8, 5, 2, 9, 6, 3, 0
27 × 3 is hetzelfde als 3 × 27. Ken je de tafel van 3, dan ken je deze som al, en dat geldt voor elke tafel die je al hebt geleerd.
3 × 27 = 27 × 3 = 81
Elke uitkomst is 27 meer dan de vorige, dus je kunt altijd verder tellen vanaf een som die je kent.
27, 54, 81, 108, 135
27 × 27 = 729 is een kwadraat: 27 rijen van 27 vormen een perfect vierkant. Kwadraatsommen zijn goede ankers om vanuit te rekenen.
27 × 27 = 729
Hoe elke uitkomst wordt gevonden, stap voor stap.
Splits 27 in 20 en 7. 20 × 6 = 120 en 7 × 6 = 42, dus 27 × 6 = 120 + 42 = 162.
De volgorde maakt niet uit: 7 × 27 is hetzelfde als 27 × 7. Splits 27 in 20 en 7. 20 × 7 = 140 en 7 × 7 = 49, dus 27 × 7 = 140 + 49 = 189.
Splits 27 in 20 en 7. 20 × 12 = 240 en 7 × 12 = 84, dus 27 × 12 = 240 + 84 = 324.
Splits 27 in 20 en 7. 20 × 17 = 340 en 7 × 17 = 119, dus 27 × 17 = 340 + 119 = 459.
Vraag hoe vaak 27 in 216 past. Je weet dat 27 × 8 = 216, dus het antwoord is 8.
Vraag hoe vaak 27 in 378 past. Deel om het te vinden: 378 ÷ 27 = 14.
Zien dat een verhaal 27 × iets nodig heeft is een vaardigheid op zich. Reken elke som eerst zelf uit en open dan pas het antwoord.
Mila leest elke dag 27 bladzijden, 4 dagen lang. Hoeveel bladzijden leest ze?
In elk busje kunnen 27 kinderen. Hoeveel kinderen kunnen er mee in 7 busjes?
In een tuin staan 9 rijen tulpen met 27 tulpen in elke rij. Hoeveel tulpen zijn dat?
Elke toren is 27 blokken hoog. Sem bouwt 12 torens. Hoeveel blokken gebruikt hij?
Een lint van 405 cm lang wordt geknipt in stukken van 27 cm. Hoeveel stukken zijn dat?
In de schoolhal staan 6 rijen stoelen met 27 stoelen in elke rij. Hoeveel stoelen zijn dat?
Zeg elk antwoord hardop voordat je het opent. Heb je ze alle tien goed, probeer dan de test van 60 seconden hierboven.
Heb je grotere sommen nodig? Bekijk de volledige lijst van de tafel van 27 tot een van deze getallen.
Maak een blad met een of meer volledige tafels om uit te leren, of met gaten om in te vullen. Print het, sla het op als PDF via het printvenster of download een plaatje.
Maak een echte toets: meng soorten vragen, voeg redactiesommen en een tijdslimiet toe en print een apart antwoordenblad om na te kijken. Elke keer dat je op Nieuwe toets drukt, krijg je een nieuwe toets.
Elke som die je hier leert, komt ook in een andere tafel voor — 27 × 7 staat ook in de tafel van 7.