Afronden naar 20
19 is 1 minder dan 20, dus reken de uitkomst met 20 uit en haal er 1 keer het getal af.
19 × 7 = 140 − 7 = 133
Jouw voortgang
Scores worden alleen op dit apparaat bewaard — geen account nodig.
19 is maar 1 minder dan 20, dus elke uitkomst van de tafel van 19 is de uitkomst van de tafel van 20 min een beetje. Leer hem hier met zeven oefeningen, trucs, uitgewerkte voorbeelden en printbare werkbladen.
19 is 1 minder dan 20, dus reken de uitkomst met 20 uit en haal er 1 keer het getal af. Rond 19 af naar 20: 20 × 7 = 140. Haal er dan 1 × 7 = 7 af, dus 19 × 7 = 140 − 7 = 133.
Werk de oefeningen van links naar rechts af. Elke oefening vraagt iets meer van je en als je klaar bent, verschijnt er een vinkje. Je voortgang wordt op dit apparaat bewaard.
Kies de truc die bij jou past. Elke truc is een andere weg naar dezelfde uitkomst.
19 is 1 minder dan 20, dus reken de uitkomst met 20 uit en haal er 1 keer het getal af.
19 × 7 = 140 − 7 = 133
Ken je de tafel van 18? Tel er nog één keer bij op: 19 × 7 is 18 × 7 plus 7.
126 + 7 = 133
Kijk naar het laatste cijfer van elke uitkomst van 19 × 1 tot 19 × 10. Hetzelfde patroon herhaalt zich bij de volgende tien uitkomsten, dus je hoeft het maar één keer te leren.
9, 8, 7, 6, 5, 4, 3, 2, 1, 0
19 × 3 is hetzelfde als 3 × 19. Ken je de tafel van 3, dan ken je deze som al, en dat geldt voor elke tafel die je al hebt geleerd.
3 × 19 = 19 × 3 = 57
Elke uitkomst is 19 meer dan de vorige, dus je kunt altijd verder tellen vanaf een som die je kent.
19, 38, 57, 76, 95
19 × 19 = 361 is een kwadraat: 19 rijen van 19 vormen een perfect vierkant. Kwadraatsommen zijn goede ankers om vanuit te rekenen.
19 × 19 = 361
Hoe elke uitkomst wordt gevonden, stap voor stap.
Rond 19 af naar 20: 20 × 6 = 120. Haal er dan 1 × 6 = 6 af, dus 19 × 6 = 120 − 6 = 114.
De volgorde maakt niet uit: 7 × 19 is hetzelfde als 19 × 7. Rond 19 af naar 20: 20 × 7 = 140. Haal er dan 1 × 7 = 7 af, dus 19 × 7 = 140 − 7 = 133.
Rond 19 af naar 20: 20 × 12 = 240. Haal er dan 1 × 12 = 12 af, dus 19 × 12 = 240 − 12 = 228.
Rond 19 af naar 20: 20 × 17 = 340. Haal er dan 1 × 17 = 17 af, dus 19 × 17 = 340 − 17 = 323.
Vraag hoe vaak 19 in 152 past. Je weet dat 19 × 8 = 152, dus het antwoord is 8.
Vraag hoe vaak 19 in 266 past. Deel om het te vinden: 266 ÷ 19 = 14.
Zien dat een verhaal 19 × iets nodig heeft is een vaardigheid op zich. Reken elke som eerst zelf uit en open dan pas het antwoord.
In een tuin staan 4 rijen tulpen met 19 tulpen in elke rij. Hoeveel tulpen zijn dat?
Elke toren is 19 blokken hoog. Sem bouwt 7 torens. Hoeveel blokken gebruikt hij?
Een lint van 171 cm lang wordt geknipt in stukken van 19 cm. Hoeveel stukken zijn dat?
In de schoolhal staan 12 rijen stoelen met 19 stoelen in elke rij. Hoeveel stoelen zijn dat?
Mila leest elke dag 19 bladzijden, 15 dagen lang. Hoeveel bladzijden leest ze?
In elk busje kunnen 19 kinderen. Hoeveel kinderen kunnen er mee in 6 busjes?
Zeg elk antwoord hardop voordat je het opent. Heb je ze alle tien goed, probeer dan de test van 60 seconden hierboven.
Heb je grotere sommen nodig? Bekijk de volledige lijst van de tafel van 19 tot een van deze getallen.
Maak een blad met een of meer volledige tafels om uit te leren, of met gaten om in te vullen. Print het, sla het op als PDF via het printvenster of download een plaatje.
Maak een echte toets: meng soorten vragen, voeg redactiesommen en een tijdslimiet toe en print een apart antwoordenblad om na te kijken. Elke keer dat je op Nieuwe toets drukt, krijg je een nieuwe toets.
Elke som die je hier leert, komt ook in een andere tafel voor — 19 × 7 staat ook in de tafel van 7.