Gebruik de tafel van 3 en zet er een nul achter
30 is 3 tienen, dus reken de uitkomst van de tafel van 3 uit en zet er een nul achter.
30 × 7 = 21 × 10 = 210
Jouw voortgang
Scores worden alleen op dit apparaat bewaard — geen account nodig.
De tafel van 30 is de tafel van 3 met een nul erachter: 30 is gewoon 3 tienen. Leer hem hier met zeven oefeningen, trucs, uitgewerkte voorbeelden en printbare werkbladen.
30 is 3 tienen, dus reken de uitkomst van de tafel van 3 uit en zet er een nul achter. Reken 3 × 7 = 21 uit en zet er een nul achter: 210.
Werk de oefeningen van links naar rechts af. Elke oefening vraagt iets meer van je en als je klaar bent, verschijnt er een vinkje. Je voortgang wordt op dit apparaat bewaard.
Kies de truc die bij jou past. Elke truc is een andere weg naar dezelfde uitkomst.
30 is 3 tienen, dus reken de uitkomst van de tafel van 3 uit en zet er een nul achter.
30 × 7 = 21 × 10 = 210
30 is het dubbele van 15, dus reken de uitkomst van de tafel van 15 uit en verdubbel die.
15 × 7 = 105, dus 30 × 7 = 210
Ken je de tafel van 29? Tel er nog één keer bij op: 30 × 7 is 29 × 7 plus 7.
203 + 7 = 210
Elke uitkomst in de tafel van 30 is een even getal, dus ze eindigt op 0, 2, 4, 6 of 8. Een oneven uitkomst is altijd fout.
30, 60, 90, 120, 150
30 × 3 is hetzelfde als 3 × 30. Ken je de tafel van 3, dan ken je deze som al, en dat geldt voor elke tafel die je al hebt geleerd.
3 × 30 = 30 × 3 = 90
Elke uitkomst is 30 meer dan de vorige, dus je kunt altijd verder tellen vanaf een som die je kent.
30, 60, 90, 120, 150
Hoe elke uitkomst wordt gevonden, stap voor stap.
Reken 3 × 6 = 18 uit en zet er een nul achter: 180.
De volgorde maakt niet uit: 7 × 30 is hetzelfde als 30 × 7. Reken 3 × 7 = 21 uit en zet er een nul achter: 210.
Reken 3 × 12 = 36 uit en zet er een nul achter: 360.
Reken 3 × 17 = 51 uit en zet er een nul achter: 510.
Vraag hoe vaak 30 in 240 past. Je weet dat 30 × 8 = 240, dus het antwoord is 8.
Vraag hoe vaak 30 in 420 past. Deel om het te vinden: 420 ÷ 30 = 14.
Zien dat een verhaal 30 × iets nodig heeft is een vaardigheid op zich. Reken elke som eerst zelf uit en open dan pas het antwoord.
Daan spaart elke week 30 munten. Hoeveel munten heeft hij na 4 weken?
210 kinderen willen spelen. Elk team heeft 30 spelers nodig. Hoeveel teams kunnen ze maken?
In een bakje passen 30 cupcakes. Hoeveel cupcakes passen er in 9 bakjes?
In een pakje zitten 30 potloden. De juf koopt 12 pakjes. Hoeveel potloden zijn dat?
450 stickers worden eerlijk verdeeld over 30 kinderen. Hoeveel stickers krijgt elk kind?
Een boerderij doet 180 eieren in dozen van 30. Hoeveel dozen vult de boer?
Zeg elk antwoord hardop voordat je het opent. Heb je ze alle tien goed, probeer dan de test van 60 seconden hierboven.
Heb je grotere sommen nodig? Bekijk de volledige lijst van de tafel van 30 tot een van deze getallen.
Maak een blad met een of meer volledige tafels om uit te leren, of met gaten om in te vullen. Print het, sla het op als PDF via het printvenster of download een plaatje.
Maak een echte toets: meng soorten vragen, voeg redactiesommen en een tijdslimiet toe en print een apart antwoordenblad om na te kijken. Elke keer dat je op Nieuwe toets drukt, krijg je een nieuwe toets.
Elke som die je hier leert, komt ook in een andere tafel voor — 30 × 7 staat ook in de tafel van 7.