Splitsen: 10 + 4
Splits 14 in 10 en 4: reken de tafel van 10 en de tafel van 4 uit en tel de uitkomsten op.
14 × 7 = 70 + 28 = 98
Jouw voortgang
Scores worden alleen op dit apparaat bewaard — geen account nodig.
Zie 14 als 10 + 4 en de tafel van 14 wordt twee tafels die je al kent: de tafel van 10 en de tafel van 4. Leer hem hier met zeven oefeningen, trucs, uitgewerkte voorbeelden en printbare werkbladen.
Splits 14 in 10 en 4: reken de tafel van 10 en de tafel van 4 uit en tel de uitkomsten op. Splits 14 in 10 en 4. 10 × 7 = 70 en 4 × 7 = 28, dus 14 × 7 = 70 + 28 = 98.
Werk de oefeningen van links naar rechts af. Elke oefening vraagt iets meer van je en als je klaar bent, verschijnt er een vinkje. Je voortgang wordt op dit apparaat bewaard.
Kies de truc die bij jou past. Elke truc is een andere weg naar dezelfde uitkomst.
Splits 14 in 10 en 4: reken de tafel van 10 en de tafel van 4 uit en tel de uitkomsten op.
14 × 7 = 70 + 28 = 98
14 is het dubbele van 7, dus reken de uitkomst van de tafel van 7 uit en verdubbel die.
7 × 7 = 49, dus 14 × 7 = 98
Ken je de tafel van 13? Tel er nog één keer bij op: 14 × 7 is 13 × 7 plus 7.
91 + 7 = 98
Elke uitkomst in de tafel van 14 is een even getal, dus ze eindigt op 0, 2, 4, 6 of 8. Een oneven uitkomst is altijd fout.
14, 28, 42, 56, 70
Kijk naar het laatste cijfer van elke uitkomst van 14 × 1 tot 14 × 10. Hetzelfde patroon herhaalt zich bij de volgende tien uitkomsten, dus je hoeft het maar één keer te leren.
4, 8, 2, 6, 0, 4, 8, 2, 6, 0
14 × 3 is hetzelfde als 3 × 14. Ken je de tafel van 3, dan ken je deze som al, en dat geldt voor elke tafel die je al hebt geleerd.
3 × 14 = 14 × 3 = 42
Hoe elke uitkomst wordt gevonden, stap voor stap.
Splits 14 in 10 en 4. 10 × 6 = 60 en 4 × 6 = 24, dus 14 × 6 = 60 + 24 = 84.
De volgorde maakt niet uit: 7 × 14 is hetzelfde als 14 × 7. Splits 14 in 10 en 4. 10 × 7 = 70 en 4 × 7 = 28, dus 14 × 7 = 70 + 28 = 98.
Splits 14 in 10 en 4. 10 × 12 = 120 en 4 × 12 = 48, dus 14 × 12 = 120 + 48 = 168.
Splits 14 in 10 en 4. 10 × 17 = 170 en 4 × 17 = 68, dus 14 × 17 = 170 + 68 = 238.
Vraag hoe vaak 14 in 112 past. Je weet dat 14 × 8 = 112, dus het antwoord is 8.
Vraag hoe vaak 14 in 196 past. Deel om het te vinden: 196 ÷ 14 = 14.
Zien dat een verhaal 14 × iets nodig heeft is een vaardigheid op zich. Reken elke som eerst zelf uit en open dan pas het antwoord.
56 stickers worden eerlijk verdeeld over 14 kinderen. Hoeveel stickers krijgt elk kind?
Een boerderij doet 98 eieren in dozen van 14. Hoeveel dozen vult de boer?
Daan spaart elke week 14 munten. Hoeveel munten heeft hij na 9 weken?
168 kinderen willen spelen. Elk team heeft 14 spelers nodig. Hoeveel teams kunnen ze maken?
In een bakje passen 14 cupcakes. Hoeveel cupcakes passen er in 15 bakjes?
In een pakje zitten 14 potloden. De juf koopt 6 pakjes. Hoeveel potloden zijn dat?
Zeg elk antwoord hardop voordat je het opent. Heb je ze alle tien goed, probeer dan de test van 60 seconden hierboven.
Heb je grotere sommen nodig? Bekijk de volledige lijst van de tafel van 14 tot een van deze getallen.
Maak een blad met een of meer volledige tafels om uit te leren, of met gaten om in te vullen. Print het, sla het op als PDF via het printvenster of download een plaatje.
Maak een echte toets: meng soorten vragen, voeg redactiesommen en een tijdslimiet toe en print een apart antwoordenblad om na te kijken. Elke keer dat je op Nieuwe toets drukt, krijg je een nieuwe toets.
Elke som die je hier leert, komt ook in een andere tafel voor — 14 × 7 staat ook in de tafel van 7.