Vier keer 25 is 100
Tel in kwarten: 25, 50, 75, 100. Elke vierde uitkomst is een rond honderdtal.
25 × 8 = 200
Jouw voortgang
Scores worden alleen op dit apparaat bewaard — geen account nodig.
De tafel van 25 gaat 25, 50, 75, 100, net als tellen in kwartjes. Vier keer 25 is 100, dus elke vierde uitkomst is een rond honderdtal. Leer hem hier met zeven oefeningen, trucs, uitgewerkte voorbeelden en printbare werkbladen.
Splits 25 in 20 en 5: reken de tafel van 20 en de tafel van 5 uit en tel de uitkomsten op. Splits 25 in 20 en 5. 20 × 7 = 140 en 5 × 7 = 35, dus 25 × 7 = 140 + 35 = 175.
Werk de oefeningen van links naar rechts af. Elke oefening vraagt iets meer van je en als je klaar bent, verschijnt er een vinkje. Je voortgang wordt op dit apparaat bewaard.
Kies de truc die bij jou past. Elke truc is een andere weg naar dezelfde uitkomst.
Tel in kwarten: 25, 50, 75, 100. Elke vierde uitkomst is een rond honderdtal.
25 × 8 = 200
25 is een kwart van 100, net als een kwartje. Tel de kwartjes per vier en je krijgt hele honderden.
25 × 12 = 300
Splits 25 in 20 en 5: reken de tafel van 20 en de tafel van 5 uit en tel de uitkomsten op.
25 × 7 = 140 + 35 = 175
Ken je de tafel van 24? Tel er nog één keer bij op: 25 × 7 is 24 × 7 plus 7.
168 + 7 = 175
25 × 3 is hetzelfde als 3 × 25. Ken je de tafel van 3, dan ken je deze som al, en dat geldt voor elke tafel die je al hebt geleerd.
3 × 25 = 25 × 3 = 75
Elke uitkomst is 25 meer dan de vorige, dus je kunt altijd verder tellen vanaf een som die je kent.
25, 50, 75, 100, 125
Hoe elke uitkomst wordt gevonden, stap voor stap.
Splits 25 in 20 en 5. 20 × 6 = 120 en 5 × 6 = 30, dus 25 × 6 = 120 + 30 = 150.
De volgorde maakt niet uit: 7 × 25 is hetzelfde als 25 × 7. Splits 25 in 20 en 5. 20 × 7 = 140 en 5 × 7 = 35, dus 25 × 7 = 140 + 35 = 175.
Splits 25 in 20 en 5. 20 × 12 = 240 en 5 × 12 = 60, dus 25 × 12 = 240 + 60 = 300.
Splits 25 in 20 en 5. 20 × 17 = 340 en 5 × 17 = 85, dus 25 × 17 = 340 + 85 = 425.
Vraag hoe vaak 25 in 200 past. Je weet dat 25 × 8 = 200, dus het antwoord is 8.
Vraag hoe vaak 25 in 350 past. Deel om het te vinden: 350 ÷ 25 = 14.
Zien dat een verhaal 25 × iets nodig heeft is een vaardigheid op zich. Reken elke som eerst zelf uit en open dan pas het antwoord.
In de schoolhal staan 4 rijen stoelen met 25 stoelen in elke rij. Hoeveel stoelen zijn dat?
Mila leest elke dag 25 bladzijden, 7 dagen lang. Hoeveel bladzijden leest ze?
In elk busje kunnen 25 kinderen. Hoeveel kinderen kunnen er mee in 9 busjes?
In een tuin staan 12 rijen tulpen met 25 tulpen in elke rij. Hoeveel tulpen zijn dat?
Elke toren is 25 blokken hoog. Sem bouwt 15 torens. Hoeveel blokken gebruikt hij?
Een lint van 150 cm lang wordt geknipt in stukken van 25 cm. Hoeveel stukken zijn dat?
Zeg elk antwoord hardop voordat je het opent. Heb je ze alle tien goed, probeer dan de test van 60 seconden hierboven.
Heb je grotere sommen nodig? Bekijk de volledige lijst van de tafel van 25 tot een van deze getallen.
Maak een blad met een of meer volledige tafels om uit te leren, of met gaten om in te vullen. Print het, sla het op als PDF via het printvenster of download een plaatje.
Maak een echte toets: meng soorten vragen, voeg redactiesommen en een tijdslimiet toe en print een apart antwoordenblad om na te kijken. Elke keer dat je op Nieuwe toets drukt, krijg je een nieuwe toets.
Elke som die je hier leert, komt ook in een andere tafel voor — 25 × 7 staat ook in de tafel van 7.